Je bent hier: Home -> Het boek Rotonde Noordzee -> Fragmenten -> Fragment Schotland

Fragment Schotland


Het veer van Orkney naar John 'O Groats

De weg naar Burwick is kaarsrecht en kent een paar flauwe hellingen waar ik gemakkelijk bij opfiets. Burwick is een uitgestorven spookdorp. De grauwe huizen zijn onbewoond en totaal vervallen. Ramen ontbreken, soms wappert er nog een achtergelaten rafelig gordijn, relikwie uit betere tijden. Tuinen zijn overwoekerd met onkruid, het gras staat kniehoog voor de voordeur. Alles hier is verwaarloosd en verlaten en je vraagt je af waarom de mensen zijn weggetrokken. Even later stop ik bij een openbaar toilet. Naast het kleine gebouwtje staat een oude vale caravan. Grote witte onderbroeken, een geruit overhemd en een ribfluwelen broek wapperen aan een waslijn in de wind. Het toiletgebouw is boven verwachting keurig schoon en onderhouden. Als ik weer naar buiten kom, stopt er een auto van een schoonmaakbedrijf. Een man met een emmer, mop en schoonmaakmiddel stapt uit. Hij gaat het toch al schone toilet nog schoner maken. Ik stap weer op de fiets, het is nog een klein eindje naar de pont. Ik kom langs een oud vervallen kerkje waar zo te zien al lang geen kerkdienst meer is gehouden. Twee mannen zijn met een cirkelmaaier het gras tussen de afgebrokkelde en scheefgezakte grafzerken aan het kortwieken. Het gaat er grondig aan toe. In dit door God en iedereen verlaten dorp wordt alleen gezorgd voor de doden en de toiletpotten.

Bij de aanlegsteiger van de pont is een klein wachtlokaal. Ponttijden zijn niet aangeplakt, maar ik heb een folder met de vertrektijden, gekregen in het toeristen kantoor van Kirkwall. Als ik over het water tuur en in de verte het vaste land van Schotland zie liggen, gaat de deur van het wachtlokaal open. Een oude man en vrouw komen naar buiten. Ik schat ze ruim boven de tachtig. Ze lopen allebei met een stok, een stevige boomtak die vast niet van hier komt want bomen met zulke dikke takken heb ik hier nog niet gezien. De vrouw heeft lange grijze krullende haren die door de wind in haar gezicht worden geblazen, geen speldjes of elastiekjes die de boel bij elkaar houden. 'Hallo, ben je hier helemaal op de fiets? Waar kom je vandaan?' Ik vertel dat ik uit Nederland kom, de Noordzee aan het rondfietsen ben en via Duitsland, Denemarken, Zweden, Noorwegen, de Shetlands op de Orkneys ben beland. Van verbazing slaat ze haar hand voor haar mond waarin ik een paar tanden ontwaar die net zo scheefgezakt zijn als de vervallen grafzerken een kilometer eerder. 'Oh lieverd, wat een eind, dan zul je wel heel erg sterk moeten zijn, zo zie je er niet uit, nou nu ik beter kijk, je ziet er wel heel erg taai uit.' Het blijkt dat deze oude mensen uit Noord-Schotland komen en met hun caravan rondtoeren. Ze staan nooit op campings maar zoeken de meest verlaten, desolate plekken op. De caravan bij het toiletgebouw is dan ook van hen. Even later wandelen ze de groene heuvel op, het kost hun zichtbaar moeite de steile helling te beklimmen. Het bankje dat halverwege de helling is neergepoot en een fabelachtig uitzicht over de baai biedt, komt hen dan ook goed van pas. Ik staar in de verte, in de hoop een veerboot te ontdekken in de bruine zee voor mij. Naast de twee oude mensen is de haven volkomen verlaten, terwijl over een kwartier het veer mij naar het vaste land zou moeten brengen. Ik kijk de folder met vertrektijden er nog maar eens op na, de vertrektijd van kwart over vijf klopt. Als ik weer opkijk en mijn blik richt op het bankje, zijn de twee oude mensen verdwenen. Waar zijn ze zo snel gebleven? Ik heb mijn blik toch maar even van hen afgewend, en zo vlug kunnen ze zich niet verplaatsen. Waar ik ook kijk, ik zie ze nergens. Het is alsof ze nooit hebben bestaan. Een rilling gaat door me heen.