Je bent hier: Home -> Het boek Rotonde Noordzee -> Fragmenten -> Fragment Denemarken

Fragment Denemarken


Verlaten camping in Hjardemol

Tussen de bomen verscholen staat een onbewoond huis. Kapotte vitrage wappert voor de gebroken ramen. Achter het huis ontwaar ik kleine vervallen campinghutten en een gammel toiletgebouw. Plotseling komt er een man om de hoek van het vervallen huis mijn richting op. Het is de campingbaas. Hij vertelt mij dat hij deze camping dit jaar gekocht heeft en dat hij de camping nieuw leven in wil blazen. Ik ben van harte welkom om als een van zijn eerste gasten hier te overnachten. Dit aanbod sla ik niet af, het is een keuze tussen kamperen op deze sinistere eenzame plek of verder fietsen.
Ik betaal de man vijftig kronen, waarna hij in zijn jeep stapt en mij alleen laat. De tent zet ik op achter het huis, uit het zicht van de weg. Ik ben hier helemaal alleen en als iemand mij kwaad wil doen, dan kan dat gemakkelijk. Het zijn gedachten die me angstig maken, de eerste angst die ik voel sinds ik twee weken geleden weg fietste van huis. Voordat ik ga koken, struin ik nog een beetje over het verlaten campingterrein. Bij de ingang staat een groot bord met foto's uit betere tijden. Gebruinde mannen en vrouwen heffen glazen wijn naar mij en lachen me uitbundig toe. Een man in een kokstenue draait kippenpoten op de barbecue, een vrouw kijkt verliefd zijn kant op. Op een andere foto staat een groot huis, hetzelfde huis als waar mijn tent achter verscholen staat. Het zit netjes in de verf, kinderen spelen op de veranda en op gekleurde schommels in de voortuin, op het dak een bord met het woord 'Hotel'. Het gazon is kort gemaaid en het bloemperk staat vol met kleurige paarse bloemen. Een ober in een zwart pak draagt een dienblad cocktails en kijkt lachend mijn richting uit. Vrouwen in korte broeken zitten in witte plastic kuipstoeltjes op het zonnige terras.
Later op de avond vind ik nog zo'n stoeltje in de struiken achter het huis. Ik neem het mee naar mijn tent, vandaag heb ik een troon om op te zitten. Ik kook een pan vol pasta en eet het buiten op, comfortabel rustend op mijn troon. De zon is doorgebroken en het laatste avondlicht geeft deze plek even een vriendelijker aangezicht. Ik vraag me af waarom de camping en het hotel zo verwaarloosd zijn. Verlaten door de vorige eigenaars en overgeleverd aan de zoute zeewind rest er nu niets anders dan vergane glorie. Ik voel me hier niet op mijn gemak en als ik even later in de slaapzak lig, kan ik de slaap niet vatten. Het begint te regenen en de wind trekt stevig aan. Het tentdoek klappert, steeds meen ik mensen te horen die om mijn tent sluipen. Natuurlijk is het verbeelding, er is hier niemand. Uiteindelijk val ik in een onrustige slaap maar wordt vaak wakker die nacht, zwetend en vastgedraaid in mijn lakenzak.